|
|
|
|
|
|
|
| dinsdag 07 oktober 2008 · 03.26u |
|
Asiel en ontwikkelingshulp
06.10.2008 15.26u - De Nederlandse christen-democraten willen meer geld vrijmaken voor de begeleide terugkeer van afgewezen asielzoekers. Dat geld mag volgens een woordvoerder best uit het potje van ontwikkelingssamenwerking komen. “Slechts 45 procent van de afgewezen asielzoekers vertrekt vrijwillig, dan wel gedwongen...
Lees meer
|
|
|
Halve vakbondswaarheden
06.10.2008 12.53u - Zoals reeds gezegd, vormt de dalende koopkracht inderdaad een probleem dat ernstig moet worden genomen. Net aan die ernst ontbreekt het echter de kleurvakbonden, die vandaag een nationale staking organiseren. Dat niet in het minst omdat zij de belangen van de Vlaamse werknemers ondergeschikt blijve...
Lees meer
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Dossiers
Engelstalig onderwijs
Engelstalig onderwijs: zin of onzin?
ENGELSTALIG ONDERWIJS: ZIN OF ONZIN?
Patricia Ceysens – Vlaams minister van Wetenschapsbeleid – rakelde zopas de discussie over Engelstalige cursussen in het onderwijs nog eens op. Die ‘verengelsing’ is volgens Ceysens VLD) absoluut noodzakelijk. Niet alleen om (meer) buitenlandse studenten te kunnen aantrekken, maar ook om beter te kunnen concurreren met de buitenlandse universiteiten en om de wetenschappelijke opleidingen in ons land naar een hoger niveau te tillen. De vraag is of dat laatste argument wel hout snijdt, maar daarover meer in dit beknopte dossier.
Ook in Nederland woedt het debat in alle hevigheid. Bijkomend element in ons land is de bestaande taalwetgeving, die onderwijs in andere talen verbiedt of slechts in bepaalde gevallen toelaat. Terecht overigens. De Vlaamse Beweging heeft vele generaties lang een harde en moeizame strijd geleverd tégen de verfransing en vóór de vernederlandsing van het (hoger) onderwijs. Waarom zouden we die moeizaam bevochten verworvenheden vandaag terug op de helling zetten door het licht op groen te zetten voor een – sluipende – verengelsing?
Volgens sommige krantenberichten zou Vlaams minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (SP.A) pleiten voor een versoepeling van de bestaande (taal)wetgeving. Los van emotionele en communautaire bezwaren, willen we in dit dossier vooral focussen op de hamvraag: welke meerwaarde bieden die Engelstalige cursussen aan de opleiding en het bijhorende diploma?
Uitdaging, zegen of bedreiging?
Op 12 november vorig jaar sprak de Nederlandse minster van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Roanld Plasterk op een debat ingericht door de Taalunie. Het debat kreeg een prikkelende titel mee: “De opmars van het Engels in het Nederlandse Taalgebied: uitdaging, fait accompli of blessing?”
Volgens Plasterk moet de Nederlandse taal “altijd en overal” gebruikt kunnen worden. “Dus ook in wetenschap en onderwijs”. Klinkt mooi, maar feit is dat het Nederlands zwaar onder druk staat in het onderwijs, zeker na de invoering van het ‘bachelor-mastersysteem’. Hetzelfde geldt trouwens ook voor ons land.
De Nederlandse onderwijsinspectie maakt zich geen illusies. In een rapport van 2004 staat te lezen: “De verwachting is dat binnen een paar jaar verreweg de meeste masteropleidingen geheel of grotendeels in het Engels gegeven zullen worden.”
De Nederlandse minister verdedigde in zijn toespraak nochtans vurig het gebruik van het Nederlands. Met argumenten die ook hier in het debat bruikbaar zijn. “Voor miljoenen is Nederlands de taal waarin ze denken en fantaseren. Veel van hen zouden iets missen wanneer hun gedachten en denkbeelden op een taalbarrière stuiten als ze een wetenschappelijk niveau bereiken?”
Bij dat ‘niveau’ mogen overigens grote vraagtekens geplaatst worden, zo blijkt uit een recent onderzoek van het Nederlandse opinieblad HP/De Tijd.
Onthutsend
“Veel colleges aan Nederlandse universiteiten worden alleen nog in het Engels gegeven. Terwijl docenten en studenten die taal vaak nauwelijks machtig zijn”, schrijft HP-redacteur Benjamin Livestro. Dat is de bikkelharde conclusie na een rondgang langs de Nederlandse universiteiten en hogescholen.
Livestro begint zijn onderzoek in Utrecht. Het eerste college dat hij volgt, klinkt nogal warrig. Het ontgaat hem een beetje waarover het gaat. “Iets over ‘cause and consequence of conflict situations”. De journalist is blijkbaar niet de enige die het wat moeilijk heeft. Er gaat een arm de lucht in en een dappere student vuurt zijn vraag af: “Could you explain the difference between cause and consequence?” ‘Kunt u het verschil uitleggen tussen oorzaak en gevolg?’
“Domme vragen bestaan niet, dat weet iedereen”, schrijft de journalist een beetje cynisch. “Maar dit is toch wel elementaire kennis”. De docente dient de student van antwoord: “There is a dependent relationship between cause and consequence”. ‘Tussen oorzaak en gevolg bestaat een afhankelijkheidsrelatie. Tja, daar moet de student het dan maar mee doen…
“Steenkoolengels”
“How do we underbuild that?” – How must that look like?” – “That is a very well answer” – “But more and more what you see is” – “So in 2006 should it have been done” – “That is typical for under-the-ground geographical research” – “So the American company has not access to the European market” – “Can someone helping me explain this” …
Het is maar een kleine bloemlezing uit wat Benjamin Livestro optekende uit de mond van docenten en studenten. Het lijkt soms hilarisch. Maar is het echt wel om te lachen? De journalist worstelt al van bij zijn eerste bezoek aan een Engelstalige cursus met een gewetensvraag: “als de zaal begrijpt wat er wordt bedoeld, maakt het dan uit dat het Engels niet correct was?”. Of mag het toch wat meer zijn? “Is de wetenschap (niet) tot meer verplicht dan handen- en voetencommunicatie?”
Bij vlagen is het Engels redelijk, maar meestal is het armoe troef. Engels “met haar op”, veel haar… Schabouwelijk. “Steenkoolengels”. Wat is de meerwaarde daarvan? Kan iemand het zeggen?
Onopgeleide professoren
De HP-journalist doet een rondvraag bij studenten en die kennen allemaal wel een docent die nooit in het Engels les zou mogen geven. Of die zelf nooit Engels hebben gehad… Volgens Livestro laat de taalkennis van de gemiddelde docent en student te wensen over. Buitenlandse studenten moeten wel een proef van bekwaamheid afleggen, maar de docenten kunnen zomaar, zonder test, aan de slag. Het staat hen vrij om in een taalbad te duiken, maar er is niemand die hen daartoe verplicht. Controle is er niet of nauwelijks. Als de docent(e) denkt dat hij/zij het kan, moet de student het daar mee stellen.
Bange studenten
“Ja, ik zou liever in het Nederlands les krijgen, maar deze ‘master’ bestaat in Nederland alleen in Utrecht en wordt alleen in het Engels aangeboden”, zucht een student. Veel studenten geven aan dat het stellen van vragen in het Engels minder gemakkelijk gaat dan in het Nederlands. “Ik kan me prima redden in het Engels, maar je wilt toch niet voor schut staan.”
Of, zoals Livestro zich afvraagt: moet een student zichzelf aan de sociale schandpaal nagelen door ten overstaan van een volle zaal toe te geven dat hij het Engels niet begrijpt?
Maar er is nog een probleem. “Je denkt veel langer na over je vraag, waardoor het soms niet eens zin meer heeft hem te stellen. Dan ben je te laat. In het Nederlands stel je hem gewoon.” Bevorderlijk voor de participatie van studenten en het kritische debat lijkt de sutuatie alvast niet.
Taalbarrière
“Als minimaal de helft van het masteronderwijs in het Engels wordt gegeven, betekent dat dan dat de helft van onze wetenschappelijk geschoolden tegenwoordig in het Engels denkt en fantaseert? Is er dan plots geen taalbarrière meer?” Onzin natuurlijk, stelt Benjamin Livestro. “Wij hebben zes colleges bijgewoond, maar zijn er niet een tegengekomen dat de standaard van wetenschappelijk onderwijs haalt. Niet omdat de inhoudelijke kennis van de docenten of studenten ontoereikend is, maar omdat geheel ten onrechte van hen wordt verwacht dat zij (even goed) in een andere taal dan hun moedertaal kunnen denken en fantaseren (of formuleren).”
Vlaamse moderniseringsdrang
Volgens de huidige regelgeving mag in de bacheloropleiding in Vlaanderen tien procent van het programma in een andere taal – in de praktijk Engels - gegeven worden. Minister Frank Vandenbroucke (SP.A) is van plan om de bestaande regel te versoepelen, maar botste met dat voornemen op verzet en kritiek. Ook binnen de Vlaamse meerderheid.
Punt van kritiek is – zoals ook in onze inleiding al werd opgemerkt – het historische en communautaire aspect van de zaak. Het voorgaande is misschien emotioneel, maar er zijn ook puur rationele argumenten. Zo wijzen critici er op dat de invoering van het Engels een bijkomende drempel zou vormen op de doorstroming van allochtone en kansarme jongeren naar het hoger onderwijs. Kritiek die in linkse hoek pijn moet doen…
Bovendien werd Patricia Ceysens (VLD), hevig voorstander van het Engels in het hoger onderwijs, verweten dat ze “innovatie” wat al te gemakkelijk gelijk stelt met het Engels als onderwijstaal. Of zoals iemand opmerkte: “Het is de invoering van het Nederlands als onderwijstaal in het hoger onderwijs die de economische en sociale ‘boost’ (bloei) in Vlaanderen heeft teweeggebracht.”
Volgens Patricia Ceysens – Vlaams minister van Economie en Innovatie – getuigt de regel dat een anderstalige opleiding slechts mag worden opgericht als er in de provincie al eenzelfde opleiding in het Nederlands aanwezig is, van eng “provincialisme”. “Een dubbel aanbod, in het Nederlands en het Engels is inderdaad provincialistisch.”
Ook minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke was niet blij met de kritiek en wuifde die weg als “totale verkramptheid en de weigering tot verandering”. Onzin natuurlijk. Wij zijn niet tegen verandering, maar wel tegen verandering óm de verandering. Een verschijnsel waar het onderwijs de voorbije decennia al meer dan genoeg het slachtoffer werd…
We kunnen ons inderdaad niet van de indruk ontdoen dat de herhaalde pogingen en voorstellen om de bestaande taalwetgeving te versoepelen en meer Engels door te drukken in het hoger onderwijs, vooral toe te schrijven zijn aan de blinde moderniseringsdrang en de profileringsdrang van de betrokken ministers. En niet zozeer aan hun bekommernis over het niveau of de uitstraling van de bewuste opleiding…
Besluit
Enige tijd geleden woonden we in Mechelen een internationaal congres bij over Media. Ingericht door de HAM, een hogeschool waar ook journalistiek wordt gegeven. Er waren sprekers uit binnen- en buitenland en het ganse congres verliep in het Engels. Bij de Vlaamse en Nederlandse gastsprekers leverde dat vaak een stuntelig Engels op dat pijn deed aan de oren. Maar, toegegeven, het staat wel ‘chique’… Het geeft je congres of opleiding enige ‘grandeur’. Maar daar blijft het dan ook bij.
De conclusie is klaar en duidelijk. Het aangeboden Engels is in de praktijk vaak, zoniet meestal, van een bedenkelijk bedroevend niveau. Waarom wil men het dan per se doen? Wat is de meerwaarde?
Ons lijkt de brede invoering of de veralgemening van het Engels in het hoger onderwijs geen goede zaak. Niet nuttig en niet wenselijk. Want, wat is de meerwaarde van dit soort onderwijs als docenten noch studenten over voldoende taalkennis en taalvaardigheid beschikken? Wordt het onderwijs er beter op? Wordt de waarde van de opleiding en het diploma er groter op? Sta ons toe, daar zwaar aan te twijfelen.
Of, zoals Benjamin Livestro (HP/De Tijd) besluit. “Tja, wat is het verschil tussen ‘cause and consequence’? De snelle, ondoordachte en ongecoördineerde invoering van het Engels als voertaal aan de Nederlandse universiteit kon wel eens een ‘cause’ zijn die hele nare ‘consequenties’ heeft voor onze kenniseconomie.”
Een wijze raad waar wij ons graag bij aansluiten en die minister Ceysens en minister Vandenbroucke beter niet zomaar naast zich neerleggen…
|
|